Klara Smeets
Dit artikel wordt niet getoond, het is een placeholder. Dus niet wijzigen.

rotonde

terwijl trappers bewegen onder mijn voeten
komt een muur van zandzakken dichterbij
verrijst imponerend als een dijk voor mij

als een extra bescherming bij extreme vloed
of om oude kaden met spoed te verhogen

dus in de chaos van omgeleide wegen
omlijst door een zijdezachte regen
verwacht ik elk moment het klotsen van water

maar een paar rondes van mijn wielen daarna
verdwijn ik bijna in een verminkte rotonde

de stad lijkt hier meer op een gewonde
kwijnt weg tussen torenkranen en oorverdovend
lawaai van machines die stampend nieuwbouw beloven


 

zaterdagmiddag

geuren trekken mij naar kraampjes toe waar 
mensen bij elkaar gepakt
een uitgelaten kluwen vriendelijkheid vormen
alsof ze door het zoete fruit, de noten,
verse bloemen, zoute vis;
aroma's die de neuzen wekken
ineens samen durven zijn
het bordes verdwijnt achter 
een regenboog van stoffen
ik zie alleen nog activiteit
het zoeken, keuren, wegen kopen
dat overal ter wereld hetzelfde oogt
 
 
 

viaduct

hier ergens eindigt de stad
waar de weg uitwaaiert in weiden
gierende banden het land doorsnijden
en huizen heel bescheiden in de leegte staan
drukte blijft onder een poortje hangen
tussen geschreeuw en vloeken
in beton gevangen
en ik speur in de graffiti
naar iets dat ik begrijp
voel tegelijkertijd
een muur van lawaai bewegen
boven mij
hier ligt Gouda tegenaan
dat eindeloze komen en weer gaan

Stolperstein

op de plek waar deze steen spreekt 
krijgt een mens zijn wezen terug
uit de letters van zijn naam
herrijzen stofloos stil zijn benen
armen, handen, zijn gelaat
alsof hij hier ineens weer staat
alsof hij na te zijn verdreven
eindelijk terugkeert naar de plaats
waar zijn alles achterbleef
zonder het te weten
en tenslotte deed een nieuwe tijd  
zijn bestaan vergeten
tot vandaag
hem bij ons terugbrengt

een mens die moest verdwijnen
verschijnt in dit herdenken
 
 

Huis van de Stad

kolossen klossen, lossen en laden
liften heffen, wagens waden
alles zwelt aan, zingt, zuigt, zeurt, zaagt
de lucht is een brok, een groot blok lawaai
een wereld wordt geheid, ontgraven,
gesneld, gesteld, gelast, gepast
en in het hart van al dat geluid
huist een grote, stille ruimte
door honderden hechte handen gesmeed
nu nog kil en onaangekleed
die statig verrijst
uit de klanken
en dan als het zware werk is gedaan
vaklui voldaan zijn weg gegaan
kan het gaan kloppen
als een hart voor de stad

langs de Bloemendaalseweg

een zachte wind zingt lente in mijn oren 
vogels rijmen op elkaar en op de dag 
die voor mijn ogen wordt geboren 
nu ik hier fiets nog half gehuld in dromen
terwijl kwieke kinderen langs mij stromen 
klaar om hun kleine, wakkere hoofden 
te vullen met idee├źn, cijfers en iconen
volwassenen rijden mij voorbij 
bepakt en bezakt met plannen voor vandaag
een vlaag van rebellie overkomt mij 
het liefst bleef ik hier achter 
om voorjaar te vieren in het gras
dan liet ik iedereen passeren 
omringd door wortels van de stad 
verborg ik mijzelf diep op dit pad 
tussen iepen, salie, wilde hyacinten 
kievitsbloemen, vlierbesstruiken 
tot ik totaal naar daslook  
zou ruiken en leven
 geruisloos was 
als een libel

Achter de kerk

de middag wordt 
opgeslokt

door schaduw van de kerk
ik loop onder het
halve poortje door
vertraag mijn gang

het tijdstip waarin ik zweef
wordt omgevormd en uitgerekt

stil staan een paar huizen
aan de voet van de Sint-Jan
ze trekken een
grimas van vroeger

Gouda is een tijdmachine
ik kan in elke eeuw
uitstappen

Oosthaven

zon wekt het water in de gracht
kleurt deftige huizen met lente
hoog boven de kaden kroont ze de dag alsof alles altijd hetzelfde zal zijn
fata morgana, schilderachtige schijn
deze rust bedriegt passanten:

achter een dichtgetimmerde deur
echoot de nacht nog na
hangt een gescheurde poort werkeloos
in haar sponningen na te kreunen
van een dreun die als oorlog was
nu vrede is weergekeerd in het Ruim
de kruitdampen opstijgen
zien de schutters zwijgend
de gaten in de muren aan
en tellen hun gewonden

Lange Tiendeweg

ik laat de kerk achter mij
kijk opzij
en wordt gevangen door gefluister
van huizen die voorover buigen
alsof ze een geheim
willen delen
met wie hier
door de straten gaat
ik luister
sommigen mompelen van duister
en leegstand
anderen strooien vroeger
in mijn hoofd
en als verdoofd ben ik
plots geen haast en later
maar even gewoon zijn
net als het water dat
de straat doorkruist

Gouda

zon strooit goud door bomen en in beken
langzaam dooit de winter uit de weg
groen was verstopt de laatste weken
maar kruipt nu terug in wei en heg

de Bloemendaalseweg
wordt weer een deken
het fietspad haakt natuur ineen
knotwilgen, reigers een imkerij

ze kleden mij met platteland
hoewel ik me naar de stad begeef

lappen kleuren mij tot rust
ik kom van de kust

en zal hier aarden

wensen voor de stad

een voortzetting van 'durf te vragen'
dat mooie plannen mogen slagen
omdat ze iedereen behagen
door vindingrijkheid en door lef

dat wegen goed begaanbaar blijven
en Goudse hartstochten beklijven
projecten op vrijwilligers drijven
als het geld er uit wordt weggehaald

geen plaats voor roddels, harde sneren
maar aandacht voor wie veel ontberen
en dat wij graag van elkaar leren

dat wij niet in angst verdwalen
tijd om te knipogen, te stralen
tijd voor positievere verhalen


Vromannacht.JPG